SPOREN: gevallen vogel

Dit is fictie. Alle overeenkomsten met bestaande personen, plekken of gebeurtenissen berusten op louter toeval.

Het is één van de eerste koude dagen van het najaar. Het vroor in de nacht en op de fiets naar je werk werd je natte haar ijzig. Terwijl je in het donker de koffiewinkel opent probeer je de punten op te warmen door er met je vingers doorheen te kammen.

Drie kwartier later dan afgesproken komt Loes aangehobbeld in een dik skipak met grote rits. Zich verontschuldigend komt ze de winkel binnen. ‘Sorry, honey,’ prevelt ze, ‘Sorry, dushi.’ De wissels waren bevroren. Ze doet haar capuchon af, ritst haar pak open en stapt er uit. Er onder draagt ze haar beige tenue. Ze klapt het opvouwbare trapje dat in een hoekje van de winkel staat open om haar spullen in een hoog kastje op te bergen. Zelfs als ze op haar tenen staat kan ze er niet echt bij. Achter de kassacounter ontfermt ze zich over de croissants. Deze had je alvast verspreid op een bakplaat. Ze schudt haar hoofd terwijl ze een paar witte latex handschoenen aantrekt en steekt, zoals ze dat iedere ochtend doet, opnieuw van wal. Het verhaal over de juiste bakwijze van de broodjes duurt zeker tien minuten. Het is een onderdeel van de ochtendroutine. Je glimlacht. Nooit eerder beroerde iemand de bevroren stukken deeg met zo veel zorg.

Loes draagt een gouden kettinkje met een vierkante hanger. Het bungelt om haar nek wanneer ze bukt om een rondslingerend stukje plastic van de grond te rapen.
Als ze staat komt ze nauwelijks met haar hoofd boven de toonbank uit. Van een afstand zie je voornamelijk de grote bos zwarte haren samengebonden in haar nek. Soms draagt ze een klein, vierkant leesbrilletje zodat ze de juiste knoppen op de kassa kan aanslaan, altijd heeft ze de verwarming op achtentwintig graden celsius. Eerder deze week versierden jullie de menuborden met knipperende lichtjes en slingers. In een hoekje van de winkel naast de vitrine vol afgebakken frikandelbroodjes zette Loes een inklapbare kerstboom neer. Reizigers komen bij jullie binnen staan om hun bevroren vingers op te warmen. Ze groeten jullie, wensen jullie een fijne ochtend en prettige feestdagen, beginnen een kletspraatje terwijl ze zich dankbaar vastklampen aan een hete beker koffie.

Twintig jaar terug begon Loes te werken bij de koffiewinkel. Zelf vind ze dat ook heel erg lang geleden. Sinds dat moment staat ze in dezelfde winkel op hetzelfde perron. Vaak help je haar tijdens de spits. Hier heeft ze een achterban aan klanten opgebouwd die enkel en alleen voor haar langskomen. Voor de man met de grote oren zetten we twee zwarte koffie, voor de chique dame in mantelpak een dubbele espresso met een stiekem extra shot, voor het gothic tienermeisje een cappuccino met een dikke laag melkschuim. Allemaal kennen ze Loes bij voornaam en geschiedenis, ze maken grapjes over het weer en de altijd teleurstellende dienstregeling, geven haar kushandjes en zwaaien haar gedag. Als een koningin op haar troon wuift ze de ochtend voorbij. Ze lacht, tapt moppen, knipoogt naar de conducteurs, stempelt de koffiespaarkaarten vol alsof er geen morgen is. Haar donkerblauwe oogschaduw glittert in het felle licht boven de kassa, je voelt je als een soort rechterhand in haar leiderschap, haar koninkrijk, zoals een vicepresident zich tot een president verhoudt.

Deze kerstdagen lijken anders. Je bekijkt van een afstand hoe ze beweegt. Hoe ze allerlei verschillende koffiebestellingen in één soepele beweging maakt. Je bedenkt je hoe ze zich soms opgesloten moet voelen in de winkel, in de beige werkkleding die om haar lichaam slobbert, op het perron tussen de twee sporen waar treinen stoppen die de mensen naar een andere bestemming brengen. Soms kijkt ze je even aan, gaat dan snel weer verder met het bijvullen van de theezakjes, alles rustig op kleur gesorteerd. Ze duikt weg achter de geleverde bestelling, steekt haar hoofd in de kasten om ze op te ruimen, rommelt in de volle vriezer, doet je denken aan een struisvogel. Eens in de zoveel tijd zet ze het kerstboompje weer even recht. Normaal zou je haar aanstoten, een vies grapje maken en genieten van het openbreken van haar gezicht wanneer ze zich prompt overgeeft aan een schaterlach. Nu is het stil.

Het kost je drie groene thee en een dure dadelreep uit de winkel om Loes rustig te stemmen. Na een tijdje begint ze te vertellen. Over hoe ze een parkietje had met haar man. Over hoe het beestje rondvloog in huis en mee naar buiten ging voor een middagwandeling. Hoe ze gelukkig waren zoals een gezin dat kan zijn. Ze veegt haar zwarte haren uit haar gezicht en knippert met haar donkere ogen.

Tien jaar geleden, eerste kerstdag: ze had haar wekker gezet zodat ze genoeg tijd zou hebben om de maaltijd voor te bereiden. In het donker was ze opgestaan, had haar kleding aangetrokken, haar haren gewassen, de make-up op haar oogleden aangebracht. Vervolgens was ze naar beneden gegaan om het licht aan te doen in de woonkamer. In een hoekje van de kamer trok ze het kleed van de kooi. Daar, op de bodem, vond ze het levenloze lichaampje van het beestje waar ze zo veel van haar liefde in had gestoken.

‘Als een puzzelstukje ontbreekt lijkt plotseling de hele puzzel onzin,’ zegt ze.
Ze opent de bovenste knoopjes van haar werkshirt en vist het gouden kettinkje uit haar boezem. In het hangertje is de parkietenkop gegraveerd, met daaronder een datum en een naam. Ze kijkt me aan en grimast.
‘Merry christmas,’ wenst ze me toe. ‘And a happy new year.’

Advertenties

SPOREN: proloog

Dit is fictie. Alle overeenkomsten met bestaande personen, plekken of gebeurtenissen berusten op louter toeval.

Van de onrust ben je weer begonnen met roken. Wiebelend sta je buiten het station, bij de laatste sigarettenpaal voor de elektrische schuifdeuren. Onder je spijkerjas schuurt de harde stof van je polo – werkkleding die je kreeg na het ondertekenen van je contract – ongemakkelijk tegen je huid. Je neemt een laatste hijs, blaast de rook uit met een zucht die lang niet ontladend genoeg is en schiet de peuk met duim en wijsvinger op de stoeptegels.

Tegenover je aan een klinische vergadertafel ergens in een kantoor van de Nederlandse Spoorwegen zit Priscilla. Ze draagt lange, felgekleurde nepnagels. Soms tikt ze er mee tegen dingen aan: het tafelblad, haar pen, haar kin, het kartonnen koffiebekertje, de schouder van de twijfelende collega naast haar. Priscilla draagt dezelfde polo als jij maar dan een aantal maten kleiner. Haar buikje puilt over haar strakke broekrand heen en doet de beige stof rekken. Je probeert niet naar haar nagels te kijken wanneer ze een stapel paperassen naar je toe schuift. Eén contract en twee handleidingen, de ene voor de koffiemachine, de andere voor het gebruiken van bepaalde reinigingsmiddelen. Vanwege bedrijfsongevallen, legt ze uit. Ze wijst de plekken voor het krabbeltje aan met haar lange vingers. Iemand is ooit de helft van zijn slokdarm verloren omdat een collega per ongeluk een chloortablet in de koffiemachine had gestopt. Die persoon had de handleiding dus niet gelezen.

Je wordt ongemakkelijk samengevoegd in een groepje dunne, blonde meisjes met redelijk grote borsten. Drie van de vijf meisjes uit de groep heten Kim. Je concludeert dat in de sollicitatieronde de medewerkers wel degelijk getypecast worden. Zelf lijk je er volledig buiten te vallen.
De meisjes voelen zich onzeker over hun uiterlijk. Ze vragen aan Priscilla of hun werkpolo’s wel afkleden en of hun zwarte broeken wel donker genoeg zijn. Priscilla haalt haar schouders op en katapulteert ongeïnteresseerd een gigantische dooddoener de wereld in. ‘Zwart is zwart,’ zegt ze.
Ja, knikken de meisjes. Ja, dat is zo.

Jullie krijgen een korte rondleiding. Eerst een rondje kantoren, waar jullie handen schudden van kalende mannen in pak met leidinggevende functies. Dan komen jullie in de winkel terecht waar jullie zullen gaan werken. De taken bestaan enkel uit koffie zetten en verkopen, schoonmaken en bijvullen. Priscilla is de eerste medewerker. Zij houdt het geheel in de gaten en stuurt jullie aan. De rest van de collega’s zijn voornamelijk vrouwelijk en werken al jaren samen. Ze gaan samen naar de kapper en de schoonheidssalon, praten over hun ruige vriendjes die in de bouw werken of bij de logistieke dienst. Ze kunnen niet omgaan met woordgrapjes en te ingewikkelde spreekwoordelijk gezegden, ze delen een liefde voor blauwe oogschaduw en volkszangers. Ze ontfermen zich over jullie, vertellen jullie alles wat jullie zouden moeten weten over hun wereld, nieuwkomers die jullie zijn, zoals moeders zich ontfermen over hun pasgeboren kinderen.

Het is een vreemde wereld waar je per ongeluk in tuimelt.

Goudenregen

Ik slaap, maar ik heb maar één oog dicht. Vroeg gaat de wekker.
Op het matras naast mij begint een ander lichaam te bewegen. Dekens aan de kant, een lampje aan, een la open en weer dicht. Water begint met stromen en stopt weer na een aantal minuten. Het geritsel van stof op lichaam, geklingel van bord en bestek in de keuken. Dan een zacht gefluisterd afscheid gevolgd door de doffe dreun van de voordeur.

Ik open beiden ogen, ga zitten in bed. Het is acht uur ‘s ochtends. Ik rek me uit. Er ligt een ring op mijn nachtkastje, langzaam schuif ik hem om mijn vinger.

Iedere dag begint met sterke espresso, trage jazz en een geroosterde boterham met jam. Dan stofzuig ik de woonkamer. Het is zwaar, de kop zuigt zichzelf telkens vast aan het beige tapijt. Het kost me een uur om alle hoekjes goed te bereiken. Daarna maak ik een rondje langs de groenteboer, de slager en de bloemenkraam. Ik klets met de postbode en zwaai naar de buurvrouw. Thuis open ik een fles rode wijn en drink de helft op in mijn eentje terwijl ik het eten voorbereid. Twee druppels mors ik op de kussens van de bank. Ik draai ze om, met de vlek naar beneden.

‘s Middags zit ik in de tuin en kijk hoe de tuinman de goudenregen bijhoudt. Als de zon schijnt trekt hij zijn polo uit. Dan weerkaatst het licht op zijn gladde borstkas. De fles gaat leeg. Ik schop mijn pumps uit en hik. Het warme gras kietelt mijn voeten. Soms zet ik muziek op in de serre en dans een beetje, soms worden de bloemen langzaam vaag en verdwaal ik in de kleuren, meestal belt er iemand aan om iets te verkopen. De tuinman gaat altijd onverstoord door. Als hij klaar is stop ik hem wat briefgeld toe. Hij glimlacht dan en vertrekt weer.
Ik val even in slaap. Net voor vijf uur schrik ik wakker op de bank in de serre en begeef ik me weer naar de keuken. Ik dek de tafel, voor alles een plekje. De borden, het bestek, de katoenen servetten, ze liggen perfect uitgespreid op het witte tafelkleed.

Het andere lichaam is er weer. Het kust me op de wang. Het neemt plaats aan tafel, eet dankbaar de maaltijd op. Dan gaat het op de bank zitten en kijkt televisie. Het houdt van whiskey na een lange werkdag, en dus schenk ik dat in.
Rond een uur of tien begint het te gapen en vertrekt het naar bed. Daar kleedt het me uit, maar laat mijn zwarte kousen aan. Het aait mijn lichaam, het betreedt me, het komt tot een climax, het draait om en laat me liggen aan mijn kant van het bed. Het snurkt. Ik glip weg, drink het restje whiskey dat het heeft achtergelaten op de salontafel, en sluip dan weer terug. Ik slaap, maar ik heb maar één oog dicht. Vroeg gaat de wekker.

Het weer is zacht en warm. Ik draag een lange jurk, de zon brandt op mijn huid. Ik praat met iedereen die ik tegenkom op mijn weg. De bel gaat aan het einde van de ochtend. Ik schrik er van. Er staat een jonge vrouw voor de deur. Haar naam is Saskia, zegt ze. Ze is het nichtje van de tuinman met de gladde borstkas. Hij is ziek en ze komt het voorlopig van hem overnemen. Of ik haar de tuin wil laten zien. Ik zeg niets, verbaasd met het glas nog steeds in mijn hand. Ze kijkt ernaar en knipoogt omdat het nog niet eens twaalf uur is. Dan loopt ze langs me het huis in. Ik hobbel achter haar aan.

De nieuwe tuinvrouw verdwijnt tussen de planten en bomen. Ze is in de weer met een grote schaar. Soms zie ik haar blonde haren opduiken ergens tussen het groen. Ik bood haar iets te drinken aan, maar ze sloeg het af, dus maak ik het eten en zet ik muziek hard aan. Dan begin ik te dansen. Eerst in de woonkamer, dan in de serre, dan in de tuin. Tijdens het maken van een pirouette mors ik wijn op het terras. Mijn adem stokt. Ik kan de tegels niet omkeren om de vlekken te verbergen. Uit de keuken pak ik een sopje en ga op mijn knieën zitten om de rode plekken weg te boenen. De tegels zijn heet en ik denk dat ik mijn huid brand, maar ik blijf wrijven. Het helpt niet. Ik wrijf harder en harder. De grond vervaagt. Mijn ogen worden nat. Ik begin te huilen en ik snap er niks van.

Plotseling gaat de muziek uit. Saskia pakt mijn hand vast, trekt me overeind. Ze praat tegen me, maar ik hoor niet wat ze zegt. Dan schuift ze één van de tuinstoelen op het terras over de vlekken heen. Ik ga er op zitten. Ze geeft me mijn glas wijn aan en veegt een traan van mijn gezicht. Ze glimlacht, pakt haar schaar op van de grond en knipt de heg bij. Ik kijk naar haar. Een tuinbroek slobbert om haar benen. Ze stapt rond in grote, bruine werkschoenen. Haar blonde haren heeft ze vastgebonden bovenop haar hoofd. Een paar lokken ontsnappen terwijl ze werkt. Ze veegt het zweet van haar voorhoofd met haar rechter arm.

Het is een dag waarop de meneer van de bloemenkraam me plotseling en zonder reden een bos pioenrozen geeft. Ik bedank hem en herhaal zonder eind dat het niet nodig is, maar hij staat er op. Uiteindelijk loop ik terug naar huis met de bos onder mijn arm. Thuis schik ik de rozen in mijn duurste vaas. Wanneer ik de bos op mijn nachtkastje wil zetten ontdek ik dat ik mijn ring daar liet liggen. Met rode wangen schuif ik het ding snel op mijn vinger. Daarna trek ik de lakens van het opgemaakte bed nog eens recht.

De goudenregen bloeit volop. De bloemen zijn groot en geel en hangen in trossen naar beneden. Ik waan me in een sprookje als ik er onder sta. Na een paar weken merkt het andere lichaam het op. Het vindt het mooi en het geeft complimenten. Het stelt voor om te eten op de bank in de woonkamer zodat het zicht kan houden op de tuin. Ik vind het een mal idee, maar geef er aan toe. Na het eten zet het de borden op de salontafel en stroopt het mijn rok omhoog. De gele bloemen worden wazig voor mijn ogen.

Espresso, toast, stofzuigen, een rondje boodschappen. Vandaag blijft het andere lichaam in bed. Over de ochtend verspreid rinkelt de telefoon een aantal keer. ‘s Middags word ik het zat en trek de stekker uit de muur. Gister heb ik de wijn niet opgedronken, de ontkurkte fles staat te ademen in de keuken. Ik zet het op een dienblad met twee glazen erbij en neem het mee naar buiten. Daar zit Saskia in de tuin op de stoel. Vandaag is het haar laatste dag, zegt ze. De tuinman met de gladde borst is weer beter en kan eindelijk terugkeren naar zijn werk. Ik schenk een glas in en bedank haar voor haar hulp. Ze draagt haar tuinbroek weer. Als ze klaar is belooft ze wat met me te drinken. Ik knik.

Binnen een uur of twee heb ik zeker drie lege flessen verzameld. Al vrij snel begon ik dubbel te zien. Nu kost het me moeite om van het toilet naar de tuin te bewegen. Ik hik hard en ongecontroleerd, maar heb nog een vierde fles in mijn hand en blijf hier slokken van nemen. Ondertussen neurie ik voor mezelf, zachtjes en kalmerend. Achterin de tuin meen ik een boom te zien dansen. De takken bewegen golvend naast de stam op het ritme van mijn lied. Ik frons mijn wenkbrauwen en wil graag meedoen maar mijn benen doen niet wat ik ze vertel. Dan strompel ik naar de bank toe, draai de kussens om met de vlekken naar boven, en giet de inhoud van mijn fles over het meubel. De vloeistof spettert alle kanten op en trekt direct in de stof. Ik hoor iemand lachen. Ik draai me om om te kijken van wie het geluid afkomstig is en realiseer me dan dat ik het zelf was.

Saskia staat in de deuropening en kijkt me met grote ogen aan. Ze vraagt wat ik aan het doen ben. Haar tuinbroek is vies, vlekkerig van de aarde. Ze zegt wat dingen en komt op me af lopen, wil voor me zorgen, me overmeesteren. Een aantal keer doet ze een poging om de fles uit mijn hand te pakken. Ik schreeuw, zwaai met het voorwerp en sla het groene glas tegen haar hoofd kapot. Ze valt neer op de bank, daar blijft ze bewegingloos liggen. Er zijn veel rode vlekken. Een halve minuut blijf ik staan en kijk ik naar haar. Dan buig ik me over haar heen en klik de gespen van haar tuinbroek los.

De bel gaat. Ik heb een kookwas gedraaid en doe in mijn nieuwe tuinbroek de deur open. Het is de man met de gladde borstkas. Hij schudt me de hand en biedt zijn excuses aan voor zijn afwezigheid. Ik zeg dat het niet erg is maar dat ik zijn hulp niet langer nodig heb. Van de eettafel in de woonkamer pak ik een dichtgelikte envelop. Ik geef de man zijn laatste loon en sluit de deur voor hij iets kan zeggen. Vervolgens loop ik naar de slaapkamer. In het onbevlekte bed ligt het ene lichaam naast het andere. Ik glimlach, ga tussen ze in liggen en sluit mijn ogen.

Ik slaap, maar ik heb maar één oog dicht. Vroeg gaat de wekker.

Mijn tong is scherp genoeg

Onlangs ben ik in de fase geraakt die de meeste studenten omschrijven als de supermassive black hole. Het is een tamelijk donkere periode, waarbinnen het constante zoeken naar afleiding gepaard gaat met nooit afnemende schuldgevoelens. Ja, lieve allemaal, ik zal er niet langer doekjes om winden, ik heb het over het afmaken van de meest gevreesde opdracht alom, namelijk-

~~~~~ DE SCRIPTIE ~~~~~

Het grootste deel van mijn jaargenoten hebben hun boekwerk allang ingeleverd en hun papiertje al mogen ontvangen. Mij leek het handiger om deze kleine bijkomstigheid onder een hoop paperassen te verstoppen in een klein laatje achterin de jungle dat mijn brein heet. Meestal vind ik dan niet meer terug en vergeet iedereen het heel langzaam en lost het probleem zichzelf op.

Welkom in de volgende stroom woorden die geen vooruitzicht bieden op het einde van mijn ellende.

Ik wil in mijn warme bed gaan liggen onder mijn donzen dekens en steeds ietsje langzamer ademen tot ik in een heerlijke lange winterslaap terecht kom die pas eindigt wanneer de HU me als vermist beschouwt en na een lange tijd besluit dat ik dit deze opdracht niet langer hoef te voltooien omdat ik hoogstwaarschijnlijk toch ergens ben gestorven.
Ik wil op reis gaan naar een mooi land en daar rondrijden in een auto vol met kampeerspullen en een hete, bebaarde man aan het stuur die me soms pistachenootjes voert en kust tot we uiteindelijk bij de horizon aankomen en daar aan de rand van de wereld met de auto naar beneden storten.
Ik wil zwemmen in een diepe zee met koraalriffen en zeepaardjes en dat er dan plotseling een vet grote vis langskomt die besluit dat ik een getroebleerd maar smakelijk meisje ben en me in één grote hap naar binnen slokt om vervolgens opgegeten te worden door een grotere vis die opgegeten wordt door een nog grotere vis die opgegeten wordt door een grotere vis.

Het typen aan zo’n scriptie voelt als toen je vroeger nog naar top 40 muziek luisterde via Windows Media Player tijdens het MSN’en en dat je dan naar de wc ging en dat als je terug kwam de WMP screensaver aanstond met die kleurenanimaties die op de muziek bewegen en dat als je te lang naar de bewegende kleuren keek je in een andere dimensie terecht kwam.
Het voelt alsof je iets te veel spacecake hebt gegeten en je verdwaald raakt in de televisie en je je de volgende ochtend realiseert dat je vier aaneensluitende uren aan paardenprogramma’s over dressuurrijden hebt bekeken met volle interesse.

Ja, misschien ben ik een drama queen. Ja, ik bezit beslist genoeg kennis en zelfvertrouwen, om deze lap tekst simpelweg op te schrijven en mezelf te verlossen uit dit lijden.
Waarom doe ik het dan niet?

Kroepoek en schuldgevoelens

Als je moet, dan moet je. Dat zegt mijn knetternuchtere oma uit Vlaardingen altijd. Opgegroeid in het begin van de vorige eeuw leeft ze het leven liever ongecompliceerd. Als in: draai niet om de dingen heen waar je niet om heen kunt draaien – en iedereen die dat wel doet, heeft vast een flinke tik van de molen gekregen. Dit heeft best wat invloed gehad op mijn manier van denken: ik pas het toe op alle fronten dat het leven te bieden heeft. Wat is, dat is. En voor de rest gewoon lekker schijt hebben hè ja lekker joh.

Onlangs ging ik op bezoek bij de man die mij het leven schonk, ook wel bekend als mijn vader. Normaliter ga ik op de fiets, maar na een lekker band en een plaksessie bestaande uit een vloektirade vol synoniemen voor teelbal, besluit ik te gaan lopen. Na een wandeling van ruim dertig minuten lopen overvalt mij het allesvernietigende gevoel van naar de wc moeten. Sterker nog, ik moet ineens zo absurd nodig dat ik vrees dat ik ter plekke ter aarde ga als ik niet nu op een toilet beland.

Mijn directe omgeving bestaat uit enkel eurowinkels en shoarmatenten, en dus is het lastig te overwegen waar ik het best naar de wc zou kunnen. Ik vermoed ook dat als ik hier ergens bij een huis aanbel om te vragen om een wc-bezoekje dat ik direct bewerkt wordt met een hard danwel scherp voorwerp. Liever niet.

Ik loop krampachtig nog een aantal afschuwelijke meters, en dan valt mijn oog op werkelijk het mooiste etablissement dat ik in mijn leven tot heden ten dagen ben tegengekomen. Een fabuleus donkerbruinig Chinees-Indisch restaurant knipoogt naar me vanaf de overkant van de straat, en de belofte van verlossing lokt me zo erg dat ik ernaar toe hol en mezelf naar binnen gooi. Daar vraag ik de Aziatische man bij het afhaalgedeelte of ik alsje-alsje-alsje-alsje-alsjeblieft even gebruik mag maken van het toilet. Hij twijfelt even, maar mijn lippen zijn rood gestift, en als ik mijn lieve-meisjesgezicht opzet kan hij geen nee meer zeggen. Hij bromt nog iets maar ik hoor hem niet goed meer want ik ren al door het restaurant heen, waar enkel één tafel gevuld wordt met een groep mannen die tot overmaat van ramp ook nog eens zichzelf naast de damestoiletten hebben gesitueerd. God maakt een grapje met me. Maar goed, mijn oma’s woorden spoken door mijn hoofd: als je moet, dan moet je. Dus ik sluit wurm mezelf langs het tafeltje mannen die me bekogelen met slechte plasgrapjes en sluit mezelf op in het kleinste kamertje zodat dingen kunnen gebeuren.

Ik heb gepoept in Chinees-Indisch restaurant Man Far, jongens.
Glorieus, was het. Een doel in mijn leven bereikt.
Nu klaar voor de rest van dit bestaan.

Twintig minuten later kom ik bij mijn vader aan. Hij is aan het koken en heeft zojuist een schaal met kroepoek op tafel neergezet. Moet je raden wat we gaan eten.

Verder gaat het allemaal prima

Het vinden van de perfecte plek om koffie te drinken in Utrecht is een taak die ik met alle liefde op me neem. Eens in de zo veel tijd neem ik een middag de tijd om een beetje rond te dwalen en cafeetjes uit te proberen. Belangrijk is: een comfortabele sfeer, niet al te hoog hipstergehalte, flinke schuimlaag op de cappuccino, barista’s met appetijtelijke billen, goede stoelen waar je een beetje in wegzakt.

Deze middag ben ik neergestreken in een vintage- en koffieplekje aan de Oudegracht, slechts vier minuten wandelen vanaf mijn huis. Het is er rustig en lieflijk en ze hebben er fantastische koffie en de meest lelijke groene bank ooit, dus vanaf dat moment bestempel ik het als mijn lievelingsplekje. Ik bestel en observeer. Het is lente, dus het zaakje zit vol met stelletjes.

Voor mij, haast ongemakkelijk dichtbij, zitten een man en een vrouw. Ze zijn op een date.
Zij: bruine krullen, mosterdgeel jasje, erg slank, overmate duidelijk articulerend. Met haar donkere haviksogen kijkt ze afwisselend naar mij en haar man. Hij: benen gekruisd, halflang, ietwat grijzend zwart haar, zegt weinig en wanneer hij praat, mompelt hij enkel heel zachtjes. Ik versta enkel flarden. Hij draagt een slordige ruitjesblouse en heeft dezelfde tas die Kasper ook ooit had.

ZIJ                  Het is hier zo rustig. Ik zou hier gemakkelijk een boek kunnen lezen. Ik voel me bijna bezwaard om iets te zeggen.

HIJ                  Ja. Hmzgmmmmblhazieooghnysmkla. Iep.

ZIJ                  Worstjes? Lekker.

HIJ                  Blagjniytzavvm zmola en een beetje terigomznilahbog.

ZIJ                   Nee, hoor. Ik hoef niet met mijn andere hand te leren schrijven.

HIJ                  Hehejebhshynuadorgban hebesbenduc polanhesmlcje. Wist je dat?

Stilte.

ZIJ                   O, Sander…

Ze buigt naar voren en legt een hand op zijn knie.

ZIJ                  Denk je dat het tijd is om te gaan?

HIJ                  Zmbglgonalzigomahben.

ZIJ                  Okee. Maar wel onder de dekens.

HIJ                  Dat is goed, mijn liefste ziebsavcefb. Immers egeboiwbmajahde je.

Korte, liefdevolle omhelzing. Sander en de vrouw met de haviksogen kijken elkaar aan. Knipperende ogen, blozende wangen. Dan schuiven ze heel langzaam naar elkaar toe en beginnen een ellenlange kus waarbij de tongen om de haverklap naar buiten vliegen, langs elkaar heen glibberen, en dan weer terugkeren in de ranzige grot waar ze vandaan kwamen.

Ik voel me vies en maak direct aanstalten om te gaan. Snel grijp ik mijn spullen bij elkaar, gooi een paar euro naar de barista en wil naar buiten rennen. Maar dan staat het stelletje ook op. Ze trekken hun jas aan, en Sander pakt de tas van Kasper zodat hij kan betalen. Hij slaat zijn arm om de vrouw heen, zij doet haar hand in zijn kontzak. Wederom buigen ze naar elkaar toe en ik heb direct een visioen waarin heel veel tong te zien is en ik kan het niet meer aan dus voordat ik ergens een piston uit een espressomachine ruk en ermee op schedels in begin te meppen vlucht ik binnensmonds vloekend maar eigenlijk toch ook best wel hardop naar buiten.

Fuck de lente en de mensen die ze produceert. Ze nemen me ook al mijn koffieplekjes af.

Deze blog gaat over piemels

Ik schrijf deze blog voor een interessant meisje dat ik nog niet zo heel lang geleden leerde kennen. Sindsdien vind ik haar geweldig. Ze is vreselijk gestoord, slim en leuk en verslindt mannen alsof het zakdoekjes zijn (wel op een nette manier). In mijn ogen staat ze in haar eentje voor alles dat vrouwelijke emancipatie hoort te zijn onder jonge vrouwen van deze generatie. Overigens houdt ze van mijn blogs en heeft ze een keer een avond gespendeerd met rondjes rennen om de tafel waar aan ik zat terwijl ze snerthard ‘Do They Know It’s Christmas Time’ zong, enkel en alleen om af te dwingen dat ik iets over haar zou schrijven. Hoe kan je daar nu nee tegen zeggen? Inderdaad. Nou, komt-ie.

Er zijn best wel heel erg veel vrouwen met een fascinatie voor het fenomeen

>>>>>de piemel<<<<<

Met uitzondering van lesbiennes dan, misschien. Schwanz, leuter, slang, derde been, sergeant-majoor, zwengel, jongeheer (in mijn sociale kringen zeggen we ook wel eens tjingelewingdingpang, maar dat is misschien weer iets te gek voor de wereld). Er worden foto’s, filmpjes, memoryspellen en puzzels van dit lichaamsdeel gemaakt. Schilderijen. Flyers. Carnavalpakken. We all love dick. Er zijn zelfs mannen die naar het lid vernoemd zijn. Zoals mijn oom. Hij heet Dik. Ik bedoel maar.
En waarom eigenlijk? Het zijn niet meer dan vreemde, vlezige molachtige kaboutertjes. Lelijk als de nacht. En wispelturig. Soms laten ze het afweten, en soms zijn ze juist heel pontificaal aanwezig. Een aankondiging vanachter de rits. Soms een loze belofte. Ze laten altijd troep achter en in de allerergste gevallen hebben ze een naam, zoals Erwin, Hans of Megaturbodeathseeker.

Afgelopen week ging ik langs bij Het Meisje Waarvoor Ik Deze Blog Schrijf om te dineren met haar en haar huisgenoten. Ik zat er verdomme nog geen uur en we hadden het al over snikkels, en dan spraken we met name over het onvermijdbare gespreksonderwerp de bloed- en de vleespiemel.
Direct dwaalden mijn gedachten af. Enerzijds omdat ik vooral in plaatjes denk, en anderzijds omdat ik laatst streng ben toegesproken door mijn oma vanwege het grove taalgebruik van de jeugd van tegenwoordig (het arme mens denkt dat ik nooit scheld – mijn oorspronkelijke respons daarop was: ‘Nou, denk maar godverdommebloedtyfus van wel’, maar ik zweeg). En plotseling voelde ik me vies.

We hadden het overal over kunnen hebben, Het Meisje Waarvoor Ik Deze Blog Schrijf en ik. We hadden kunnen praten over werk, kunnen filosoferen over theorieën en werkwijzen, kennis kunnen uitwisselen. We hadden onze persoonlijke doelen kunnen bespreken, speculeren over de toekomst. Had gekund. Maar dat deden we niet. Ik bevind me in een huis met een groepje ambitieuze en veelbelovende meisjes in de bloei van hun leven en het enige waar we over lijken te kunnen converseren is mannelijk schoon. Het is zo Sex and The City dat ik een plotseling verlangen krijg naar cocktails met olijven.
Het is de leeftijd, denk ik. De hormonen. Ze gieren door ons lichaam en bepalen onze gespreksstof. Wij jonge vrouwen moeten er allemaal aan geloven. Zelfs Het Meisje Van Deze Blog is slachtoffer.

Na het dineetje bij Het Meisje Waarvoor Ik Deze Blog Schrijf probeer ik een onbepaalde tijd lang niet over piemels te praten. Met niemand. Dat moet niet zo moeilijk zijn, denk ik. Er is een hele functionerende wereld buiten de mijne waarin mensen het vrijwel nooit over piemels hebben. Het gaat ook vrij goed, vijf dagen lang rep ik geen woord over het onderwerp. Maar zodra ik me in het weekend op een studentenfeestje begeef waar veel jonge mensen dansen en de drank vloeit, is het weer een penisfeest van jewelste.

Ik denk dat ik binnenkort een symposium ga organiseren. Over piemels. Een piemelsymposium. Dan nodig ik alle vrouwen in de nabije omgeving uit zodat ze het een hele avond eens even lekker ongegeneerd en ongelimiteerd over plassers kunnen hebben. Dan hebben we de rest van het jaar misschien een beetje rust en kunnen we het weer hebben over andere belangrijke onderwerpen waar wij vrouwen nou eenmaal over discussiëren. Zoals kwantumfysica en voetbal. Hebben we dat ook weer opgelost.

Soms moet je naar de kapper

Ik besloot het leven bij de ballen te pakken en een afspraak te maken bij een willekeurige kapper. Dat is voor mij een heel groot ding omdat ik een hekel heb aan beleefde geforceerde gesprekjes, vooral wanneer je haar geknipt wordt. Je zit gevangen op de stoel, iemand trekt aan je haar, knipt in je oor en ondertussen stelt hij/zij de meest stomme vragen die er bestaan. Mijn standaard kapster heeft inmiddels door dat ik daar niet van gediend ben en houdt wijselijk haar mond, maar als ik ergens anders naartoe ga moet ik me een uur lang onderwerpen aan die kloterige vragen. Maar ja, sinds een paar weken verkeer ik in een constante yolo-stand, met als effect dat ik op de avonturistische tour ga. Plotseling bevind ik mezelf op mijn vrije middag op de Oudegracht en loop ik zo maar een kapperszaak binnen. Gewoon omdat het kan.

Ik word enthousiast onthaald door een man met een neuspiercing en een soort van hippe jurk aan. De klanten die in de zaak rondhangen zien er allemaal bijzonder uit: de mannen hebben felgekleurd haar en glimmende kleding, de vrouwen dragen overalls en a-symmetrische kapsels. Het personeel, dat vooral bestaat uit mannen met veel te strakke spijkerbroeken, praat druk met elkaar over relaties en kleding met hun handen in hun zij. Het is me vrij duidelijk dat ik een kapperszaak voor homo’s ben binnengestapt. En maakt dat iets uit? Nee, denk ik. Uiteindelijk zijn we verdomme allemaal mensen. En haar is haar. Dus fuck it. Doen we gewoon.

Een veertigjarige man met een sikje en een diepblauwe bloemetjesblouse die de naam ‘Nick’ draagt (‘O mijn god, we zijn bijna naamgenoten!’) buigt zich over mijn kapsel. Als hij me vraagt wat ik eigenlijk precies wil, en ik daar een hele bak levensgrappen over maak, heeft hij mijn ‘que sera, sera’-houding door.
‘Lieve schat,’ zegt hij. ‘Dat kan je wel allemaal zeggen, maar wat wil je nu écht? Wie is Nicky? Wie is deze jongedame die hier zit?’ Dat vind zo’n diepe vraag dat ik niet meteen weet hoe ik daar op moet reageren.
‘Kom eens voor me staan,’ zegt hij dan streng. Ik gehoorzaam. Met zijn handen gaat hij een aantal keer door mijn haar, waarna hij een stap naar achter doet en me voor een volle twee minuten bekijkt. ‘Ja,’ zegt hij dan ‘Ik zie het al. Deze problematiek heb je allemaal te danken aan je lok. Als ik namelijk zo naar je gezicht kijk, zit je rechteroog wat lager dan je linkeroog. Nu hangt je lok over je linkeroog, je goede oog dus.’ Hij dirigeert me weer terug op de kappersstoel. ‘Dit,’ en hij gebaart met zijn hand naar mijn hele gezicht, ‘kunnen we oplossen door je lok naar de rechterkant te doen. Zo gepiept.’

Het kost me nogal wat moeite om de grootste lachsalvo die ik in maanden heb meegemaakt te onderdrukken. Nick begrijpt niet waarom ik zo spastisch doe en kijkt me fronsend aan. Ik voel me een beetje lullig omdat ik moet lachen. Dus ga ik maar akkoord. Ja, joh, gooi alles maar naar de rechterkant. Kan het mij aan mijn reet roesten. Doe maar.

Tijdens het knippen begint hij me vragen te stellen. Ik weet dat ieder antwoord dat ik geef bij hem het ene oor in gaat en direct het andere weer uit vliegt, dus verzin ik maar wat. Dat ik rechten studeer. Dat ik een paard bezit dat Sjerp heet. Dat mijn ouders Joodse boeren zijn en dat ze graag aan speergooien doen. Dat ik wel eens doe alsof ik Russisch ben als ik op feestjes kom waar ik niemand ken. Dat ik heel onzeker ben over mijn uiterlijk en liever een blondine was geweest. Nick slikt het als zoete koek. Hij gaat overal bloedserieus op in en probeert me nog advies te geven ook. Ik heb werkelijk nog nooit zo veel lol gehad bij de kapper. Als hij op een gegeven moment vraagt hoe mijn moeder heet en ik zonder nadenken ‘Agaatje’ antwoord omdat dat het eerste is dat in mij opkomt, denk ik even dat hij me door heeft. Maar nee. Nick knipt gewoon door. Het gesprek mondt uit in een ellenlange monoloog over zijn overleden moeder, zijn boyfriend in Londen, al zijn exen, die pas gereleasde sneakers in metallic grijs en het beste kapsel dat hij ooit in zijn leven gezien heeft.

‘En, hoe gaat het met de liefde?’ vraagt hij aan het einde van de knipbeurt, terwijl hij van dat plakkerige spul in mijn haar smeert. De meest uitgekauwde en uitgekotste vraag die een mens aan een ander mens kan vragen, vind ik. Maar goed, ik vertel hem over mijn date van laatst en hoe dat is doodgebloed. En dat dat niet erg is. En dan verrast hij me met de mooiste uitspraak die ik in lange tijd gehoord heb. Hij steekt zijn schaar in de lucht alsof hij een overwinningspeech wil gaan voordragen. ‘Ach! Laat hem links liggen, schat! Vanaf nu start je je nieuwe leven. Alles aan de rechterkant, net zoals je lok!’
O, Nick. Wat een juweeltje ben je. Wauw. Je verdient een boek en een film over je leven. En ja, je hebt een vreselijk oude wijven-kapsel bij me geknipt, en me daarna ook nog eens te veel laten betalen, maar je verdient het. Misschien kom ik zelfs nog wel eens bij je terug.

O ja, en mijn lok zit nu dus aan de andere kant van mijn hoofd. Komt dat zien.

Jezus was een man

Datingapps. Blijkbaar is dat een ding tegenwoordig.
Ik hou er niet zo van om online te kletsen met vreemden. De kans dat je een normaal, niet-desperate persoon tegenkomt is minuscuul, namelijk. Daarnaast vervliegt mijn interesse best snel als ik een online gesprek voer. De ‘hoi, hoe gaat ie’ kan ik nog wel handelen, maar alles wat daarna komt is een totale ramp. Ja, goed, met jou, ja ook goed, okee – en dan is het gesprek eigenlijk al tot een halt gekomen. Maargoed, al snel nam mijn nieuwsgierigheid het over van mijn rationele denkwijze, zoals dat meestal gaat bij mij, en dus heb ik een app gedownload om te testen.

Tinder is een programmaatje waarmee je mannen of vrouwen kunt beoordelen met een simpel tikje met je vinger. De app koppelt zich aan je Facebookprofiel, en via deze gegevens en kenniskringen vindt hij mannen of vrouwen (of allebei) die eventueel een match voor jou zouden kunnen zijn. Ze verschijnen met een fotootje op je telefoon en vervolgens kun je ze verwerpen of goedkeuren. Als de ander jouw profiel ook goedkeurt zijn jullie een ‘match’ en kun je met elkaar chatten. Ze hadden het beter de Vleeskeuringsapp kunnen noemen (wat ik overigens nog best een leuke naam vind ook). Het is net zoals in het echte leven, eigenlijk, alleen nu nog oppervlakkiger omdat jullie er beiden niet eens in levende lijve bij zijn.

Gefascineerd door deze bizarre app (waarom zou je daar nou aan mee doen?) spendeer ik een kwartiertje met het kijken naar profielfotootjes, benieuwd naar wat er langs komt. De meeste voorstellen zijn compleet random, sommige slaan ergens op maar komen nergens op uit. Het zijn vooral veel gladde mannen met profielfoto’s waarop ze met spuugnat haar en roze overhemdjes bier zuipen alsof hun leven ervan afhangt. Of mannen met grote diamanten oorbellen die met alle kracht een duckface maken en snapbacks dragen.
Dan opeens komt het fotootje van een best wel leuke man langs. Youri, heet hij. Donkerbruin haar en een baard. Meestal wel mijn type. We raken aan de praat. Na amper een minuut chatten vraagt hij of ik dominant of onderdanig ben. En dat hij graag mijn voeten zou willen kussen. En of ik die avond dan nog tijd heb om iets te drinken. En dat ik alsjeblieft NU een tijd en een plek moet noemen want hij kan er niet langer tegen.
‘Jezustietjes,’ reageer ik. ‘Jij windt er ook geen doekjes om, zeg.’
Het blijft heel lang stil.
‘Jezus was een man,’ stuurt hij dan. ‘Hij had geen borsten.’ Vervolgens stuurt hij me een vraagtekentje. ‘Wil je nou wat drinken of niet?’
Ik zucht diep vanachter mijn smartphone. ‘O, Youri,’ typ ik. ‘Op zich heb ik geen bezwaar tegen een one night stand, en ik hoef ook geen diepgaande gesprekken te voeren over Tolstoj van tevoren, maar een béétje humor is voor mij wel noodzakelijk. Anders krijg ik ‘m gewoon niet omhoog.’
Youri zegt niks meer. Hij heeft me denk ik geblokkeerd. Of hij ligt inmiddels in bed met het soort vrouw dat wel via een half-anonieme datingapp afspraakjes weet te regelen.

Voor mij is het in ieder geval geen mogelijk scenario.

De minivibrator

Vrijdagavond spendeer ik in het huis van een onbekende vrouw – de beste vriendin van mijn huisgenoot – onder het genot van liters sangria op een upperwareparty.
Ooit van gehoord? Ik niet. De grootste grap was dat ik heel naïef tot een aantal uren voor het feest echt dacht dat alles om plastic bakjes draaide. ‘O, nee, lieve schat toch! Wat lekker naïef weer van je, och jee toch ja toch o ja ja leuk haha ja ha!’
Een upperwareparty is het soort feest waarvan ik dacht dat het een mythe was: een groepje vrouwen verzamelen zich in één van hun woonkamers, waar ze dan luid giebelend aan vibrators gaan voelen en glijmiddel met wijverige smaakjes likken. Hoewel ik persoonlijk vind dat ik met mijn twintig lentes iets te jong ben voor dit soort taferelen, besluit ik mijn vooroordelen aan de kant te zetten er gewoon naartoe te gaan. Want ja, misschien mis je wel een totaal geweldig bombastische avond. Misschien is dit wel de kern van het leven. Je weet het niet.

De upperwarepartymevrouw heet Saskia. Saskia heeft een koffer meegenomen met grote plastic dozen waar ze haar showmodellen in bewaart. Twee uur lang haalt ze daar het één na het andere artikel uit. Bij elk ding vertelt ze verhalen over de werking en de effectiviteit en dan geeft ze de artikelen door zodat iedereen even kan voelen. Saskia etaleert werkelijk van alles. Spul dat je op je edele delen kunt smeren zodat de bloedsomloop gestimuleerd wordt, tepelklemmetjes, verschillende soorten massageoliën, clitorisstimulators, buttplugs – alles dat je kunt bedenken. Ondertussen vergenoegen een paar van de aanwezige dames ons met de meest spastische giebelaanvallen die ik ooit heb gehoord of gezien. Deze worden alleen maar frequenter en heftiger wanneer Saskia het zware geschut uit haar koffer haalt: grote pompende apparaten met haken en ribbels en weet ik veel wat allemaal. Het toppunt is de Jerry, een grote roze vibrator met een clitorisstimulator in de vorm van een konijn. De lachsalvo’s bereiken hun hoogtepunt.
Ik heb nogal moeite met dit concept. Ik vind namelijk dat het niet okee is om een dier tegen je schaamstreek aan te frotten, ook al is het felroze en gemaakt van siliconenspul. Maargoed, wie ben ik om te oordelen? De Jerry’s gaan als hete broodjes over de toonbank, schijnt.

Waar ik me nogal over verbaas, is dat het synchroongiebelen van de aanwezige vrouwen na een tijdje afneemt. Op een gegeven moment verandert de sfeer van gespannen naar relaxed en begint men de vibrators serieus te bekijken en oprechte vragen te stellen over seks en genot. Interessant, toch? En het is bizar, want ik begeef me dus in een ruimte met negen vrouwen waarvan ik bijna niemand ken, en voor ik het weet zijn de grenzen weggevaagd en zitten we te kletsen over ketsen. Daar waar ik een simpele bijeenkomst van melige huisvrouwtjes verwacht, is dit juist een plek waar men openlijk over seks praat en ervaringen uitwisselt. Later op de avond wordt er nog een quiz gehouden waarin kennisvragen gesteld worden. Aan het einde krijg ik een minivibrator in mijn hand geduwd als prijs. Not so bad.

Dit soort feesten zijn heel vernuftig in elkaar gedraaid. Ook ik trap er in. Je zit dus de hele avond gezellig met je vriendinnen je “eens even lekker onbesuisd” en “heerlijk ondeugend” te gedragen, en dan krijg je plotseling een bestelformulier in je kanis geduwd. Want er moet natuurlijk wel geconsumeerd worden. Zo word je op een hele slimme manier eigenlijk gedwongen tot aankoop. Want je vriendin heeft dit feest niet voor niets gegeven. En die arme verkoopster heeft de hele avond staan klessebessen over alle hebbedingetjes. En als je met z’n allen een bepaald target haalt, krijgt de hostess van het feestje zo’n vibrerend eitje met een afstandsbediening. Gratis. Hilarisch, joh! Dus ga je spenderen. Honderd procent voorspelbaar, eigenlijk.
En het werkt, want godsammekloten – wanneer Saskia aanstalten maakt om te gaan en ons vriendelijk bedankt voor deze gezellige tijd, meldt ze terloops nog even dat ze trouwens een omzet van vierhonderd euro heeft gemaakt.

Vierhonderd euro! Tieten, dat zijn zeker zes Jerry’s!